Over de Andes

De reis begint niet met een concreet plan, maar met een verlangen om de leegte op te zoeken.

Na een korte tussenstop in New York en Buenos Aires kan het contrast niet groter zijn: staal en glas tegenover koloniale gevels en warme chaos. In Buenos Aires lopen we opnieuw dezelfde straten als vijf jaar geleden, toen we hier met Cateautje wachten op onze auto en het grote avontuur. Toen alles nieuw en het grote niet weten; nu vertrouwd en toch weer vol verwachting.

Na een paar dagen halen we Brinks op — onze 4x4 — en maken alles klaar voor nieuwe kilometers over Zuid-Amerikaanse grond. Het plan: de Andes in.

Nog voor we echt op pad zijn, laat het weer zien wie hier de baas is. Na dagen van drukkende hitte barst ’s avonds een storm los. Windstoten rukken aan het dak, regen striemt de ruiten. In Buenos Aires waait zelfs een vliegtuig van het platform. Hier geen KNMI-codes, wel 13 doden door het noodweer.

Bij de grens met Uruguay, waar rivieren buiten hun oevers zijn getreden. Dorpjes staan blank; huizen en bomen half onder water. De plek die we hadden uitgezocht om te overnachten ligt nu diep onder de rivier. We brengen onze eerste nacht in Argentinië door achter een tankstation, in de stromende regen. Vanaf hier kan het alleen maar beter worden.

We rijden noordwaarts, richting San Salvador de Jujuy. Het landschap verandert langzaam. Het vlakke land maakt plaats voor rotsige heuvels, de lucht wordt ijler, de stilte dieper.

Langzaam klimmen we de Puna op. De Ruta 40 slingert langs valleien en verlaten gehuchten. De wind is ongenadig, maar het uitzicht maakt alles goed. Kleine gele bloemetjes kleuren het rode zand; guanaco’s steken loom de weg over. We stoppen soms alleen om te luisteren. Niets dan wind.

San Antonio de los Cobres verschijnt aan de horizon als een fata morgana: stoffig, kleurloos, en toch levend. Het is een stadje dat lijkt te wachten tot de trein weer gaat rijden. Het station ligt er verlaten bij, de tankpomp lijkt uit de tijd van de spoorbouw. Winkels hebben geen borden, cafés geen klanten. Het voelt als een filmdecor, half echt, half vergeten.

Daarbuiten wordt het land weer leeg. Zoutmeren glinsteren in de verte, vulkanen rijzen op uit het niets. Tussen de witte vlaktes zie je soms de donkere littekens van mijnbouw — zilver, lithium, alles wat geld oplevert. De grond is rijk, maar de dorpen zijn arm.

We rijden verder. Rotsblokken liggen verspreid alsof een reus ze achteloos heeft neergegooid. Achter elke bocht verandert het licht, de kleur, het gevoel. Soms rood, soms geel, soms een blauwgrijs dat bijna buitenaards lijkt.

Bij Cono de Arita rijden we over de rand van een immens zoutmeer. In het midden rijst een perfecte vulkaankegel op — een mathematisch toeval in een woestenij zonder orde. De wind is hier scherper, droger. We volgen het spoor om de vulkaan heen, de lucht trilt boven het zout.

Nog hoger wacht Volcán Galán, een reus van bijna zesduizend meter. De weg omhoog is steil en vol losse stenen. Brinks gromt en zoekt grip; we duwen letterlijk door de ijle lucht. Boven ligt de krater: een kilometers brede kom, gevuld met een turquoise meer en dampende bronnen. De lucht ruikt naar zwavel en kou. Hierboven voel je hoe klein je bent — en hoe groot de aarde werkelijk is.

We dalen af naar Antofagasta de la Sierra, een dorp dat als een oase ligt tussen de lavavelden. Een plein, een kerk, een restaurant waar de spaghetti lauw is en de cola het hoogtepunt van de avond. Maar niemand klaagt. We slapen aan een lagune, waar flamingo’s en guanaco’s scharrelen tot de zon zakt. Zodra het donker wordt, valt de wind weg. Een stilte die letterlijk hoorbaar is.

De volgende ochtend besluiten we de andere kant van de vulkaan te nemen, over zwarte scherpe lavagesteente. Het pad is nauwelijks te onderscheiden. Met de grote uitdaging om de banden heel te houden Na uren hobbelen zien we in de verte een witte vlakte. Piedra de Pómez.

Het is alsof de aarde hier haar adem inhield en toen in één keer uitblies. Zes meter hoge blokken witte puimsteen, recht afgescheurd, haaks, alsof iemand er met een reusachtige zaag doorheen is gegaan. De wind heeft de randen afgerond en gladgeschuurd tot bizarre vormen. Sommigen noemen het een maanlandschap, maar dat doet het tekort. Dit is de aarde op haar rauwst. En wij, de enige bezoekers, staan er middenin.

We rijden verder zuidwaarts, terug richting bekenden. Bij Carlos en Monique voelt het als thuiskomen. Er is wijn, er is een zwembad, en er is tijd om niets te doen.

Tot de auto weer aandacht vraagt. Een oliewissel wordt een complete check. Het blijkt dat de mof van het stuurhuis kapot is, geen probleem die hebben wij bij ons Helaas moet de auto bij het vervangen daarvan gebalanceerd moet en dat kan alleen in Aimogastsa zo’n 100km verderop.

In Aimogasta rijdt Brinks ineens als een dronken olifant. De monteur verdwijnt onder de auto en komt met een brede grijns weer tevoorschijn. “Hoort hier geen bout te zitten?” De oorzaak van ons geslinger en ongelmakkelijke kilometers. Vijf minuten werk, zegt hij. En hij heeft gelijk

De Paso del Agua Negra brengt ons naar 4.800 meter hoogte. De klim is traag, de lucht ijl. Onder ons slingert een rivier, steeds verder weg.

Sneeuw ligt in schaduwen, smelt in vreemde patronen. Het licht is hard, het landschap kaal maar vol nuance: wit, blauw, bruin, koper. De altijd aanwezig wind slijt bizarre figuren uit. Je kan niet anders dan onder de indruk raken van dit natuurgeweld in rust.

De afdaling naar Chili is een feest voor het oog. De bergen kleuren van oker naar paars en roze. Zwijgend kijken we, elk in onze eigen gedachten.

Beneden, op 875 meter, ligt de Valle de Elqui. Een smalle vallei waar tussen de dorre bergen rijen druiven groeien — levend bewijs dat irrigatie wonderen doet. We bezoeken een kleine distilleerderij waar Pisco wordt gemaakt, proeven het sterke goedje, en brengen de nacht door bij een observatorium. De astronoom vertelt met vuur over de geluiden van het heelal. We staren omhoog naar de eindeloze sterrenhemel.

De weg naar de kust is lang en saai, het landschap kaal en stekelig. Af en toe een uitzicht over zee, verder niets. Ons doel: Valparaíso, de kleurrijke havenstad die we eerder vermeden. Van criminaliteit merken we weinig, maar de waarschuwingen klinken overal door. We vinden een camping in een groene vallei, buiten de stad, en nemen een Uber naar boven.

Valparaíso is een stad van contrasten. De haven is grauw, maar de huizen tegen de bergwand zijn explosies van kleur. Muurschilderingen, trappen, tandradbanen — alles lijkt te bewegen. Toch voel je onder de verf de sleet. Vergane glorie met een glimlach. We eten verse vis, lopen door smalle straatjes, en besluiten dat het mooi was om te zien, maar één keer genoeg is.

Via de Paso Cristo Redentor rijden we terug naar Argentinië. De vrachtwagens kruipen omhoog, Brinks wil klimmen, de temperatuur stijgt. Waar Agua Negra een ode aan stilte was, is dit een duet van motoren en toeterende vrachtwagens.

In Mendoza even helemaal niets. Wijnranken, vrienden, verhalen — alles vloeit in elkaar over. We eten, drinken, praten, en en genieten van het gezelschap. De Andes ligt op de achtergrond, als een constante herinnering aan waar we doorheen reden.

Dan weer de weg op, zuidwaarts. Bij Malargüe bezoeken we een ingestorte vulkaan. Tijdens de uitbarsting perste water zich door lava en schiep zo een netwerk van tunnels en kamers. Onze gids praat honderduit, het Spaans dendert langs ons heen, maar het landschap spreekt voor zich. ’s Avonds blijft alleen de wind over, en wij, alleen met de sterren.

We verlaten de 40 en rijden een zijweg in, de bergen in. Het landschap verandert opnieuw. De kleuren worden zachter, het licht groener.

In Copahue — een thermale badplaats aan het einde van de weg — lijkt het alsof we op de noordpool zijn beland. Huisjes gebogen onder de wind, rookpluimen van zwavelige bronnen.

De badmeester raadt ons aan om “de volledige behandeling” te doen. Eerst insmeren met zwavelmodder (stinkt erger dan je denkt), daarna in baden met heet, melkachtig water. Alles wordt bijgehouden op een formulier — tijd in, tijd uit, badnummer. Na uren wachten eindigen we in een groen bad dat meer Sovjet dan Spa voelt. Maar hé, het is goed voor de bloedsomloop, zeggen ze. De geur van zwafel blijft nog dagen in het beddengoed hangen.

Caviahue, even verderop, is het tegenovergestelde. Helder meer, besneeuwde toppen, dennenbossen. Een Argentijns sprookje. We wandelen naar een waterval, verder dan gedacht en uiteraard op slippers en zonder water, maar het uitzicht maakt alles goed.

De weg naar Lago Aluminé slingert door valleien vol kleur. Het meer zelf is een drukke, vrolijke chaos van strandende families, koelboxen en barbecues. De Andes maakt hier plaats voor het merengebied, waar Argentinië en Chili elkaar spiegelen in water en lucht.

De weg naar Lago Aluminé slingert door valleien vol kleur. Het meer zelf is een drukke, vrolijke chaos van strandende families, koelboxen en barbecues. De Andes maakt hier plaats voor het merengebied, waar Argentinië en Chili elkaar spiegelen in water en lucht.

We steken de grens over, varen met een kleine veerboot over Lago Pirihueico, en rijden door naar Bariloche. Aan het meer vinden we rust en stilte. De bossen zijn dicht, het water blauw, en de lucht gevuld met de geur van dennen. Een paar kilometer buiten de stad lijkt het alsof je de wereld opnieuw uitvindt.

Rond El Bolsón bezoeken we een kleine wijngaard. De wijn is middelmatig, maar de verhalen goed. In de verte smeult het bos nog na van de brand die hier raasde. Het nationale park is gesloten. We besluiten onze plannen om te gooien en richting de kust te rijden — de orka’s van Valdés roepen.

De rit ernaartoe is lang en leeg, maar de natuur blijft verrassen. Rode kloven, kronkelende rivieren, eindeloze vlaktes.

Puerto Pirámides ligt er verlaten bij.. De wind huilt, het zand schuurt. We nemen een hotel, vooral om niet gezandstraald te worden. De camping herinnert te veel aan onze vorige ervaring — charmant in theorie, vies in praktijk.

We laten ons goed informeren: waar, wanneer, en hoe groot de kans is om orka’s te zien. Veel te vroeg zitten we, diep in onze jassen gedoken en de camera in de aanslag, op een bankje met uitzicht op zee. Niemand te zien.

En dan, ineens, beweging in de branding. Zwarte vinnen doorbreken het water. Zes orka’s, jagend langs de kustlijn. We kijken ademloos toe. Wanneer ze verdwijnen, voelen we pas de kou en de wind weer.

Op de terugweg zien we mensen toestromen. Te laat. De orka’s houden zich niet aan schema’s. De volgende dag spreken we een Amerikaanse vrouw die speciaal voor deze dieren was gekomen en er, na een week, nog geen had gezien. We proberen ons gezicht neutraal te houden, maar de grijns verraadt ons.

De weg langs de kust is stoffig en warm. We stoppen nauwelijks. In de buurt van Buenos Aires bezoeken we de Zapp-familie — wereldreizigers die al 22 jaar onderweg zijn in een auto uit 1928. We drinken mate, delen verhalen, en helpen een middag mee sleutelen. Alsof we elkaar al jaren kennen.

Nog één laatste stop in Uruguay, dan weer terug naar Buenos Aires. We fietsen door San Telmo, gaan naar een tangoshow en eten veel te goed. De airco is onze beste vriend.
Zoals verwacht loopt alles Andes

De Andes laat zich niet samenvatten. Het is geen bergketen, het is een wereld op zichzelf — van zout tot sneeuw, van stilte tot storm. Wij rijden erdoorheen, klein en tijdelijk. Maar wat blijft hangen, is dat gevoel van ruimte. Dat de aarde hier nog ouderwets, traag, zwaar, en zonder haast.