Brazilie Grand tour

Reizen vergt flexibiliteit en een flinke dosis geduld. Dat laatste wordt meteen op de proef gesteld wanneer blijkt dat geen enkel meegebracht onderdeel de kookplaat aan de praat krijgt. Ons plan om door te rijden naar Brazilië gaat voor even de ijskast in. We blijven noodgedwongen twee weken “in de buurt” van Montevideo, wachtend op een onderdeel dat via Duitsland zijn weg moet vinden.

En als we toch vastzitten in Uruguay, kunnen we er net zo goed wat van maken. De regen hangt zwaar over het land wanneer we naar het noorden trekken. Rond Minas verandert het weer en het vlakke land in glooiende heuvels, met rotsen en kleine bossen die het eerste reliëf brengen.

Onderweg naar een waterval stuiten we op een tot restaurant omgebouwde wagonwagon. De zon breekt door, dus lunchen we uitgebreid op het terras. De waterval en grotten zelf is geen wereldwonder, maar de wandelingen en de rust maken alles goed.

Verderop oogt de kust verlaten en spookachtig. De wind jaagt schuimkoppen het strand op. We verlaten de kust en rijden naar Parque de los Cuervos.

De lucht kleurt donkergrijs en de wind trekt aan — reden om meteen een wandeling te maken voor het noodweer losbarst. Het pad klimt steil door rotsachtig terrein; de uitzichten zijn dreigend en wild.

Terug bij de auto barst de storm los. Bliksem, donder en slagregens houden ons uit onze slaap.

Na al die regen zoeken we warmte in de thermale baden van Dayman. We vervolgen ons rondje via Rio Uruguay zuidwaarts.

De streek rond Carmelo staat bekend om zijn wijn. Na een uitgebreide proeverij overnachten we tussen de druivenranken.

Colonia del Sacramento voelt alsof het is blijven hangen in een andere eeuw. Keienstraatjes, pastelkleurige gevels, cafés onder oude bomen.

Via een Zwitserse kolonie — waar we kaas inslaan — sluiten we onze Uruguay-ronde af.

Ruim 2.000 kilometer verder, niets opgeschoten, wel een beter beeld van Uruguay gekregen.

Vlak voor de grens met Brazilië staan we bij een boerderij, rijden te paard en bezoeken watervallen. Wanneer we willen vertrekken, blijkt een wiellager te lekken. Rivera, waar Uruguay en Brazilië in elkaar overlopen, heeft geen echte grenspost, wel garages. Na dagen onzekerheid is het onderdeel uit Montevideo gearriveerd. Drie weken later dan gepland kunnen we eindelijk echt vertrekken.

We zetten we koers naar Castro, een stad met Nederlandse wortels.

In Witmarsum, dat gesticht werd door Nederlanders maar overgenomen werd door Duitse immigranten overnachten we. Vandaar bezoeken we Castro en Carambei.

Eten we appeltaart in een openluchtmuseum dat verdacht veel op de Zaanse Schans lijkt.

Op de camperbeurs in Pinhais ontmoeten we vrienden uit eerdere reizen. We bewonderen Braziliaanse campers die groter zijn dan menig appartement. Wij zijn nog steeds tevreden met Brinks wanneer we weer in bed klimmen. Na een paar dagen gezelligheid trekken we verder, richting het onbekende.

Parque Petar

We dalen af in een grot waar tijd geen betekenis heeft. De tocht duurt een uur volgens de beschrijving, maar de klok geeft tweeënhalf uur later aan wanneer we eindelijk een broodje bij de auto eten. De stilte onder de grond is tastbaar de enorme zalen indrukwekkend.

Daarna volgt een lange rit naar Holambra — het ‘Nederland’ van Brazilië. De snelweg is rustig, de lucht strakblauw. Tot de brandstoftank losschiet. Met een geïmproviseerde lasbeurt redden we het, maar niet lang daarna krijgen we ook nog een lekke band. Tegen de schemer bereiken we een overprijsde camping. Chagrijnig en moe schuiven we in het dichtstbijzijnde restaurant aan. De eigenaar is zo vriendelijk dat alles weer snel vergeten is.

Holambra zelf voelt… vreemd. Een bloemenkas, een molentje, stroopwafels, maar weinig echt leven. Een Nederlandse vrouw verzekert ons dat dit “de veiligste plek in Brazilië” is Wij rijden snel weer, met een glimlach, verder, het gevaar tegemoet.

De weg richting de kust slingert eerst nog door een liefelijk glooiend landschap en dan door dichte jungle en mistige bergen. Haarspeldbochten, diepe afgronden en een verbijsterende hoeveelheid verloren wieldoppen markeren het pad.

Paraty verwelkomt ons met regen. We vinden een hotel en belanden midden in een foodfestival. Tussen wijn en samba worden we aangesproken door een lokale muzikant die ons uitnodigt voor zijn optreden. Twee uur later dan op de aankondiging begint het eindelijk. We blijven beleefd tot de pauze — sommige ervaringen zijn beter in theorie.

Na al het toeval volgt eindelijk het plan: de Estrada Real. Een oude handelsroute van de mijnen in het binnenland naar de kust. Wij rijden hem tegen de richting in, van Paraty naar Diamantina. Het pad voert over asfalt, gravel en oude stenen. In elk dorpje halen we een stempel voor ons pelgrimspaspoort — van kerken tot buurtcentra.

Het is een prachtige route. Bergen, bossen, koloniale stadjes met gekleurde huizen. Soms druk, vaker verlaten.

Mensen zijn verbaasd wanneer ze horen dat we helemaal uit Nederland komen om deze route te reiden. De auto doet zijn best, wij poseren voor de zoveelste camera die op ons gericht wordt.

Na 1.100 kilometer eindigt de route in Diamantina, Een koloniaal dorpje op een bergtop. Hier zijn we in 2019 ook al geweest. Om hier onze laatste stempel te halen kosten nogal wat moeite en tijd maar ook die hebben we binnen.

Chapada Diamantina is alles wat we hopen: rood gesteente, diepe kloven en watervallen die in de wind verwaaien voordat ze de grond raken zoals bij de Cachoeira da Fumaça.

Een maal via een smal pad boven op het plateau hebben we een prachtig uitzicht over de tafelbergen

De meertjes en watervallen zijn intens blauw of kleuren bruin door het vele ijzer wat in de grond zit. Hier begint een oude handelsroute route van Bahia naar de kust. Er werd volop goud gedolven voor transport naar Europa. In Caetê-Açu hangt een relaxte hippiesfeer. Gin-tonic op het plein, livemuziek, en een hemel vol sterren.

De rit naar de kust in het noorden is lang en heet. We fantaseren over strand, vis en wijn. De plek is prachtig, maar de wind blaast ons bijna weg. We verschuilen ons met de auto achter een grote bus.

Na twee dagen overal zand en dat gedroomde visje besluiten wij: wij zijn geen strandmensen.

Een paar dagen later komen we terecht bij een “biocamp”, dat een commune van Duitsers blijkt te zijn. Ze nodigen ons vriendelijk uit voor lunch — en blijven vervolgens preken over vrijheid en samenleven. We besluiten dat het beter is om onze vrijheid elders te zoeken.

De duinen van Lençóis Maranhenses is het noordelijkste wat wij gaan. Het is open, leeg, schitterend. Witte zandheuvels door de kwarts vol turquoise meren, zover het oog reikt. Het dorp chaos, de groep met wie we opgescheept zitten net zo.

Bij de duinen kunnen wij eindelijk zelf op ontdekking uitgaan De meeste toeristen blijven bij de eerste meertjes. Wij lopen verder, tot we alleen maar het zand in de wind horen.

In Chapadas das Mesas komt de regen met bakken uit de lucht — ook ín de auto, door een lek ergens tussen cabine en opbouw. Met pannetjes en handdoeken houden we het droog.

Ook hier weer bestaat het landschap uit tafelbergen waardoor er talloze watervallen en grotten zijn om te bezoeken. Als de zon terugkomt, wandelen we langs watervallen in een landschap dat ruikt naar natte aarde en bloemen.

Het volgende park, Chapadas dos Veadeiros, is al even mooi: kloven, waterpoelen en eindeloze uitzichten. Met ducttape en kit fixen we de lekkage en vieren kerst in ons eentje op een stille camping.

In Brasília rijden we over brede boulevards die akelig leeg zijn. Eerste kerstdag: geen verkeer, geen restaurants, alleen KFC open. Moderne spookstad. De volgende dag is de stad levendiger — modern, strak, maar zonder ziel. Al snel zijn we er wel klaar mee, we verlangen terug naar stof en stilte.

Via de achteringang glijden we letterlijk de Serra da Canastra binnen. Modder tot aan het dak, maar bij aankomst wacht wijn en kaas. Het voelt als thuiskomen. We rijden een paar bekende routes en ontdekken nieuwe, wandelen naar watervallen en halen lokale kazen. Het weer knapt op; de groene heuvels glanzen in de zon.

Dan noordwaarts, richting de Pantanal. De weg is verrassend mooi — hoge rotsen, uitgestrekte vlaktes. We blijven daarom langer dan gedacht en trekken de bergen in en genieten van de uitzichten op de Serra de Maracaju.

Per boot verkennen we de Pantanal, zien vogels, kaaimannen en… muggen. Heel veel muggen.

Bonito, beroemd om zijn kristalheldere rivieren, is prachtig maar toeristisch. Alles moet via tours en reserveringen. We zoeken de minder gebaande paden op, eten lokaal en genieten van het tropische dorpsleven.

In Ponta Porã laten we Brinks nakijken bij dezelfde garage als jaren geleden — nog steeds even hartelijk. We blijven ons elke keer weer verbazen hoe we ontvangen worden als goede vrienden.

We steken Paraguay door, terug Argentinië in. De hitte is genadeloos; onweer volgt ons op de voet richting Cafayate.

In Tinogasta zijn we weer thuis, bij “onze” Argentijnse familie. Wijn, met zijn allen eten en eindeloos kletsen.

Terug naar het oosten rijden we door Tafí del Valle, langs cactussen, mistbossen en koloniale dorpen.

In Campo del Cielo ligt de op één na grootste meteoriet ter wereld — in een museum dat volkomen verlaten is.

In Nationaal Park Chaco zwermen muggen om ons heen als rook. De brulapen schreeuwen in de verte. De hitte is moordend. Pas bij zonsondergang kunnen we wandelen, ingepakt en zwetend.

Ibirá

Onze volgende stop is een groene oase.

Capibara’s scharrelen rond de auto, een vos komt dagelijks langs, en een oehoe geeft live-jachtles op een leguaan

Pure rust. Ook hier is niemand te bekennen. Wandelen is alleen mogelijk bij zonsopgang en ondergang. Maar de beloning is groot.

We rijden nog naar Iguazú — de watervallen blijven overweldigend. Op onze weg naar het noorden maken we een aantal stops bij misiones. We bezoeken een aantal jezuïeten ruïnes. Het verschilt niet veel met die in Paraguay die we een paar jaar geleden hebben bezocht. Dit is op zich niet zo vreemd omdat ze bij hetzelfde imperium uit de 17de eeuw hoorden. Dit keer kregen we een uitgebreide tekst en uitleg dus werd het een stuk duidelijker.

Daarna Brazilië weer in, waar we picknicken tussen de wijnranken en we genieten van een spectaculaire zonsondergang met een flesje bubbels. Hier is het bewijs dat er niet alleen zoete vieze wijn geproduceerd wordt in Brazilië.

Serra Geral en Aparados da Serra scheiden het binnenland en de kust. De hoge kliffen, diepe canyons met zijn bijzondere begroeiing zijn spectaculaire passen met zijn kronkelige wegen en uitzichtpunten maken het een van de mooiste routes door Brazilië. Hier hebben we ook afgesproken voor een Hollandse rendez vous. Ondanks de pittige buien en hitte hebben we een aantal mooie en gezellige dagen.

Gramado verrast met Alpenhuizen, kaasfondue en toeristische kitsch. Toch vinden we stilte in de omliggende valleien.

Het weer blijft wisselvallig wanneer we naar een ander wijngebied rijden. De stad Bento Gonçalves splitst het wijngebied in twee delen. Aan de westkant is het een strijd om de grootste en luxe wijnhuizen. Grote landgoederen met enorme huizen erop verschillend van koloniaal tot hypermodern. Gemoedelijkheid ligt hier niet voor het oprapen. We bezoeken een paar huizen maar voelen ons niet echt op ons plek.

Wanneer we een bericht krijgen van onze vrienden die zich aan de oostkant, en het oorspronkelijke wijngebied bevinden, waar het ook droog en zonnig is. Heeft het niet veel overredingskrachten nodig om weer in de auto te stappen. Aan de oostkant is de sfeer zeer gemoedelijk en zitten we de rest van de dag lekker op het terras met lekkere hapjes en drankjes.